03 december 2007

De bekende weg van de SP

Het invloedrijke Amerikaanse congreslid Tip O’Neill zei ooit: “all politics is local”. Nu denk ik niet dat hij gelijk had, maar iedereen die de conservatieve heiland Ronald Reagan ooit “de meest onnozele man die ooit in het Witte Huis zat” heeft genoemd kan wel op mijn sympathie rekenen. Alle politiek is niet lokaal, maar in de lokale politiek is het soms wel mogelijk om bepaalde aspecten van de landelijke politiek mooi geïllustreerd te zien. Zo was er afgelopen week een onthullende episode in de Leidse politiek die de geïnteresseerde toeschouwer veel kan leren over de Socialistische Partij. Het begon allemaal met schriftelijke vragen van het SP raadslid Eva de Bakker op 23 november. Deze hadden betrekking op de nevenfuncties van de burgemeester en wethouders, en waarom deze niet op de website stonden. De Bakker bleek echter niet goed te hebben gekeken, of liever, helemaal niet gekeken. De nevenfuncties staan wel degelijk op de site van de gemeente en zijn zeer simpel te bereiken. Toen dit op de Leidse nieuwssite Sleutelstad.nl werd aangegeven kwam De Bakker met een ontstellend zwak verweer: de SP zou bedoeld hebben dat men bij de wethouders niet kan doorklikken, zoals dat op de pagina van de burgemeester wel kan. Maar een simpele raadpleging van haar schriftelijke vragen leert dat dit patente onzin is. Vraag één van de zes die de Bakker stelt luidt:
Waarom staan de nevenfuncties van de wethouders niet aangegeven op de gemeentelijke website?
De conclusie dringt zich op dat De Bakker niet kan internetten, hetgeen niet erg is, maar haar wellicht diskwalificeert als het aangewezen raadslid om vragen te stellen over de site van de gemeente. Als ze beter had gekeken, dan waren vijf van haar zes vragen meteen beantwoord geweest. Haar laatste vraag is ook interessant. Die luidt:
Gaan de nevenfuncties, door de tijd die erin wordt gestoken, van de burgemeester en wethouders, niet ten koste van het werk dat zij voor de stad behoren te doen?
Het aardige is nu juist dat mw. De Bakker onderdeel uitmaakt van de controlerende macht van de gemeente, en dus zelf één van de personen is die deze vraag moet beantwoorden. Als je de vraag aan de wethouders en burgemeester stelt, zullen ze uiteraard altijd “nee” antwoorden. Het is juist aan de raad om dit te beoordelen. In haar reactie claimde mw. De Bakker echter dat het daar allemaal niet om ging, maar dat het de SP te doen was om belangenverstrengeling tussen de hoofd- en nevenfuncties van de wethouders en raadsleden. Maar ze stelde deze vraag als een raadslid die zelf een nevenfunctie bekleed waarbij wel eens belangenverstrengeling zou kunnen optreden. Ze is namelijk statenlid van de provincie Zuid-Holland, en stemt als zodanig ook over onderwerpen die met Leiden te maken hebben.

Ik volg mw. De Bakker nog niet lang genoeg om te weten of ze altijd van dit soort nutteloze vragen stelt, maar het leek mee een vreemd incident. Zou er dan niemand binnen de SP zijn geweest die haar vragen even had kunnen nakijken, en haar behoeden voor deze blunder?

GroenLinks raadslid Hans van Egdom zag zijn kans schoon voor een politiek succesje, en sprak De Bakker via zijn weblog aan op haar vragen en op de overduidelijk hypocrisie die eruit spreekt. Want de nevenfunctie van De Bakker zelf, het statenlidmaatschap stond nu juist niet vermeld op de lijst van de gemeente-site waarop nevenfuncties vermeld staan. Voor diegenen meesurfen, de lijst is per 26 november aangepast en het staat er nu wel. Bovendien, zei van Egdom, was een gotspe voor de SP om vragen te stellen over transparantie, want eind oktober verscheen er in het blad Binnenlands Bestuur een artikel van de Groningse hoogleraar Douwe Elzinga (betaalsite) waarin beschreven staat hoe de SP voor 90% drijft op overheidsgeld. Deze fondsen worden voor een deel door allerlei vage facturen bij de gemeentefracties vergaard. Geld dat bedoeld is voor gemeentelijke politiek werk wordt door middel door het centraal partijbureau zogenaamd geleverde diensten doorgesluisd naar de landelijke partijkas. De SP betwist dit uiteraard, maar toen de Amsterdamse afdeling afgelopen jaar gevraagd werd om deze “diensten” van het partijbureau te bewijzen door middel van bonnetjes, gaven de socialisten niet thuis en stortten het geld na veel misbaar uiteindelijk terug.

Van Egdom leest blijkbaar Binnenlands Bestuur, en besloot naar aanleiding van de vragen van De Bakker om de SP eens flink op haar nummer te zetten. Het kwam wel een tikje kinderachtig en opportunistisch over, maar misschien is Egdom nog steeds boos dat de socialisten het college hebben getorpedeerd, en zat hij al weken op een dergelijke mogelijkheid te wachten. En daar raakt deze kwestie aan een ander punt waar van Egdom niet eens over repte. Tot voor kort zaten er ook SP wethouders in het college. Was er toen niets mis met de ontsluiting van informatie over nevenfuncties? Het is natuurlijk rijkelijk opportunistisch om, luttele weken nadat je eigen wethouders zijn opgestapt, opeens kritiek te hebben op een aspect van het college dat ook wel degelijk bestond toen je eigen partij er nog inzat. En ja, ook de twee SP-wethouders hadden nevenfuncties, die nog uitermate makkelijk zijn terug te lezen op de site. De vragen waren zo opportunistisch dat het welhaast dom leek. Zou het echt zo zijn dat mw. De Bakker uit eigen beweging deze vragen had gesteld, en niemand van de SP daarbij had ingegrepen?

Hoe de vork werkelijk in de steel zat bleek afgelopen vrijdag na afloop van de uitzending van Rondom de Raad, het programma over lokale politiek van Holland Centraal, waarin van Egdom met de Leidse SP-voorzitter Tim van Houten in debat ging over deze kwestie. Na afloop van het gesprek zei Egdom dat het hem was opgevallen dat de SP deze vragen in meer gemeenten had gesteld, en op precies dezelfde manier. Zou het centrale partijbureau soms opdracht hebben gegeven om ze te stellen? "Dat zou best eens kunnen", gaf van Houten toe. Dit maakt het feit dat de Bakker ze zo gesteld heeft een veelzeggend incident. Het raadslid heeft de partijorders opgevolgd en de vragen ingediend, zonder zich te realiseren in wat voor situatie ze zichzelf daarmee plaatste. Het lijkt een ware oekaze, zoals we dat van echte socialisten gewend zijn. Bevelen uitvoeren en zelf niet al te veel nadenken. In de context van de huidige discussie rondom de democratie en afwijkende mening binnen de SP is dit een aardig illustratie van hoe het niet moet binnen een partij, maar hoe het bij de SP wel geregeld is. Het centrum bepaalt, en de periferie voert uit. Binnen de SP bestaat inmiddels een aardige lijst van mensen die slachtoffer zijn geworden van hun eigen kritisch vermogen, en dat moedigt niet aan tot zelf nadenken.

Verder illustreert deze kwestie ook dat de SP nog in het geheel niet gewend is om een partij met echte verantwoordelijkheid te zijn. De socialisten hebben landelijk een aardige omvang bereikt, maar volharden nog steeds in hun oppositiementaliteit, ondanks het feit dat ze her en der in de regering zitten. Het is toch vreemd om dit soort vragen als partijbestuur door te zenden naar je fracties, als je weet dat sommige van die fracties ook verantwoordelijkheid dragen, of tot zeer recent droegen, voor datgene dat je aan de kaak stelt?

Lokale politiek dus. Het is niet alles, maar af en toe geeft het wel een fascinerend kijkje in de aard van een landelijke partij.

26 november 2007

Ellian + column = onzin

Afshin Ellian, een markant type.

Leidens eigen rechtsgeleerdekabouter is, samen met Leon de Winter, misschien wel de enige echte neoconservatief van Nederland. Samen behelzen ze alle aspecten die een goed neoconservatief moet bezitten: felle polemiek voeren, altijd pro-Bush zijn, ad nauseam pro-Israël zijn, uiteraard diep islamofoob, en, wellicht de belangrijkste eigenschap, een uiterst utilitaire bereidheid om feiten te neger, verdraaien of te falsificeren. Ellian heeft de kunst goed afgekeken van zijn intellectuele broeders in de VS: Dick Cheney, Paul Wolfowitz, Bill Kristol, en, meest recentelijk, Norman Podhoretz. Ook heeft hij de bizarre kwaliteit die veel uiterst rechtse types in Amerika ook hebben: ze waren vroeger links. Net zoals bijvoorbeeld Christopher Hitchens en David Horowitz had Ellian vroeger sterke linkse sympathieën, hij was zelfs lid van een socialistische partij in Iran. Een zekere mediageilheid kan Ellian ook niet ontzegd worden. Waar de meer rechtse en bozige conservatieve types, zoals Paul Cliteur en Herman Philipse na de Hirshi Ali haussé alweer snel in de mediavergetelheid zijn verdwenen, weet Afshin van geen ophouden. Zie bij deze de wijze waarop hij deze zomer zijn slag wist te slaan uit de lachwekkende soap rondom de na-puberende martelaar voor de anti-islam, Ehsan Jami. Als de kippen was Ellian erbij om de media overal de schuld van te geven, als soort van Iraanse padrone op te treden voor zijn beschermeling, en uitgebreide klaagzangen af te steken over vrijheid van meningsuiting.

Maar toch wringt er iets bij Afshin. Hij is wel een neoconservatief, maar hij kan niet voluit gaan, en dat tergt hem. Hij heeft in Nederland niet de intellectuele speelruimte om zich in zijn columns echt op de lunatic fringe te begeven, zoals zijn Amerikaanse broeders dat wel kunnen. En daarom moet Ellian het hebben van insinuatie, en van suggestie. Dit alles kwam sterk door in de NRC column (24/11/2007) van de ex-Iraniër, ex-Moslim en ex-Socialist. In Amerika, ik noemde dit al in een vorige column, is de retorische oorlog met Iran al lang begonnen, en spreekt men over Wereld Oorlog III. In Nederland leeft dat sentiment niet zo, maar geen nood! Afshin Ellian is zoals gewoonlijk bereid om in de pen te klimmen teneinde de islamofobie aan te wakkeren en zijn eigen land van herkomst te demoniseren. Onder de vlammende titel “politieke religie + bom = ramp” steekt Ellian van wal met een prangende vraag: is er in de Iraanse geschiedenis ooit belangstelling geweest voor een kernwapen? “Ja”, zullen velen mensen die de historie van Iran kennen meteen zeggen, “die was er wel zeker”. De Shah van Iran, door Amerika en Engeland via een coup aan de macht geholpen ten kosten van de democratisch gekozen Mohammed Mossadegh, had daar wel oren naar. Terwijl zijn land actief en op grote schaal door de Amerikanen werd gesteund in het ontwikkelen van kernenergie, merkte de Shah in de jaren ’70 luchtig op dat Iran zeer snel een atoomwapen zou hebben.

Maar wacht, dit is niet bepaald een voorbeeld waar Afshin op zit te wachten. Het is immers de bedoeling om de Islam te demoniseren, en niet om Amerikaanse hypocrisie aan de kaak te stellen. Wat heeft Ellian ons te bieden? Een brief uit 1988 van Ayatollah Khomeinei. Een bericht van bijna 20 jaar geleden, van een geestelijke die al lang overleden is, geschreven in de context van de oorlog die Irak, met steun van de Verenigde Staten, tegen Iran voerde. Oja, en over die Irak-Iran oorlog: Ellian schuift de verantwoordelijkheid voor de duizenden doden van deze oorlog vlug even in de schoenen van die “dwaze imam”, Khomeiny. Iedereen die ook maar de Wikipedia pagina over deze oorlog heeft gelezen giert nu van het lachen en verbaasd zich erover dat Ellian Saddam Hussein en passant vrijpleit, maar vergeet niet: voor de echte neoconservatief doen feiten er niet toe, alleen ideologie. Terug naar die brief. Wat is het onmiskenbare bewijs dat de ayatollahs altijd al op kernwapens uit zijn geweest? Ellian komt in zijn stukje niet verder dan een zinnetje, waarin Khomeiny zegt dat de opperbevelhebber van het leger zegt dat het in toekomstige conflicten wellicht handig zou zijn als Iran kernwapens zou hebben. Pats boem! De smoking gun is een mushroom cloud, en Ellian heeft zijn insinuatie en suggestie aan de man gebracht. De wens van de generaal volgt overigens op een opsomming van een immense militaire macht van duizenden tanks en artillerie, dus het is duidelijk dat de opperbevelhebber aan het dagdromen is. Maar dat is niet belangrijk. Feiten, zijn niet belangrijk, het gaat om de achterdocht die Ellian probeert te zaaien. Gek genoeg bewijst de brief van Khomeiny, waarin hij besluit om de Iran-Irak oorlog te beeindigen, dat het regime in Teheran wel degelijk rationeel opereert. Ellian beaamt dit ook een aantal malen. Kortom, in het verleden heeft Iran zich altijd rationeel gedragen, maar als het om kernenergie gaat moeten wij van Afshin geloven dat alle stoppen doorslaan. Misschien, maar het Internationaal Atoomagenschap heeft de afgelopen maanden vrij definitief gesteld dat Iran niet bouwt aan een kernbom. Dit wordt door Ellian niet eens vermeld, terwijl het toch een actueel en pertinent feit lijk. Maar feiten, zo begrijpt u inmiddels, doen er niet toe.

Het hele stuk van Ellian is insinuatie, en achterdocht, maar in de laatste zin kan hij het toch niet meer houden, en maakt de echte neoconservatief zich van hem meester. Hij stelt in klare taal, en ik citeer: “Een politieke religie met kernwapens zal tot omvangrijke en onmenselijke oorlogen leiden”. Met andere woorden, Iran zal, met een kernbom, een atoomoorlog ontketen. Ellian blijkt naast rechtsgeleerde, dichter en politiek vluchteling ook opeens een waarzegger te zijn.
Hirshi Ali zit tussen de neoconservatieve zeloten van het American Enterprise Institute in Washington. Het wordt tijd dat Ellian daar ook zijn heil zoekt. Ze zullen hem met open armen ontvangen, en als hij eerlijk is, weet hij zelf ook dat hij daar gelukkiger zal zijn. Het zou een gewin zijn voor het Nederlandse Islam- en Iran-debat.

19 november 2007

De wet gekraakt

Er is in Nederland een misdaad die legaal is, en die misdaad heet hier “kraken”. De gebeurtenissen in Amsterdam van de twee weken geleden hebben voor de zoveelste maal voor het voetlicht gebracht wat voor misdadigers zich eigenlijk bezig houden met deze praktijk. Tijdens het ontruimen van een gekraakt pand aan het Damrak meldde de politie de vondst van een volgens hen levensgevaarlijke constructie. Een balk die het dak ondersteunde was aangesloten op een bewegingssensor en een lier, die bij het betreden van de kamer een deel van het dak naar beneden zou laten vallen. Een valstrik die, als hij gewerkt had, waarschijnlijk zou hebben geleid tot ernstige verwonding bij de agenten. Het verhaal werd uiteraard onmiddellijk ontkent door krakerwoordvoerster Monica. Het zou verzonnen zijn door de politie, en om de zogenaamde “krakers” vrij te pleiten werden er gisteren foto’s van de gewraakte constructie op de extreemlinkse website Indymedia gepost. Hierop waren de bewegingsensor en het motortje te zien. Een week later toonde de politie haar foto’s in de gemeenteraad. Vrijwel alle raadsleden, inclusief diegene van krakersvriendelijke partijen als de PvdA en Groenlinks, onderschreven de conclusies dat hier sprake was van een booby-trap, en dat het verweer van de krakers nergens op sloeg. Dit is niet de eerste poging tot moord van deze diefstalplegers: in Maart van dit jaar trof de politie bij het ontruimen een brandbom boobytrap aan in een gekraakt Amsterdams pand. Vorig jaar bekogelden zogenaamde “krakers” de ME puntige stalen buizen die dwars door de schilden van de agenten boorden. Zelfs de meest zelfgebreide geitenwollen sok kan het nu niet meer ontkennen: deze krakers zijn criminelen.

“Kraken” is eigenlijk een eufemisme: het refereert aan de glorietijd van deze praktijk in de jaren ‘70 en ‘80, toen het nog een romantisch trekje had. Mijn tante is een kraker, of liever, zij was er één. In de jaren tachtig heeft ze met haar man en haar baby dochter met een grote groep mensen een oude, leegstaande brandweerkazerne in Amsterdam gekraakt. Er was een gebrek aan woonruimte voor gezinnen en de kazerne, gemeente-eigendom, stond leeg. Samen met anderen is mijn tante daar toen ingetrokken, en woont daar nu al meer dan twintig jaar. Dat is kraken. Maar de dagen van kraken zijn al lang vervlogen. De schouwspelen die zich in Amsterdam voltrokken hadden niets te maken met wat doorgaans verstaan wordt onder kraken, of onder krakers. De ME moest een pand ontruimen van ordinaire misdadigers, die onder de wettelijke dekking van de term “kraken” criminele praktijken bezigen.

Voor mensen zoals ik, die de kraakbeweging in zijn glorietijd niet hebben meegemaakt, is het moeilijk om te begrijpen dat deze praktijk wettelijk toegestaan is. Als er geen aura van romantiek en sociale rechtvaardigheid omheen zou hangen, zou men kraken gewoon noemen wat het overduidelijk is: diefstal. In de jaren 80 en 70 was dit misschien nog te begrijpen. Gezinnen die geen woning hadden omdat huisbazen en gemeenten, als dan niet met opzet, panden leeg lieten staan. Het was wellicht sociale nood, en er was misschien begrip voor op te brengen. Maar tegenwoordig is het overduidelijk dat kraken een door en door asociale bezigheid is geworden. Groepen krakers loeren overal in het land op panden die leegstaan, om er, vlak na het verstrijken van één jaar, de deur te forceren en zich illegaal toegang te verschaffen. Vervolgens wordt er een tafel, een stoel en een matras gedeponeerd, en ziedaar, het pand is gekraakt. De eigenaar van het pand wacht vervolgens een jarenlange juridische strijd om zijn eigen bezit terug te krijgen, terwijl de krakers zijn pand van binnen veelal volledig afbreken en uithollen. Houten vloeren en deuren worden opgestookt, muren worden doorgebroken, en er wordt allerlei rotzooi achter gelaten. Daarbij is het vaak onmogelijk voor de eigenaar om de schade op de krakers te verhalen. Kortom: kraken is voor de meeste huis- of pandeigenaren die het overkomt een regelrechte ramp. En het meest tergende aan deze kwestie is dat gekraakte panden regelmatig leegstaan door toedoen van de overheid. Een eigenaar wil bijvoorbeeld iets verbouwen, de vergunning hiervoor laat meer dan een jaar op zich wachten, wat niet ongewoon is, en ziedaar, als beloning voor zijn geduld mag de eigenaar nog enkele jaren wachten en nog veel meer geld betalen, omdat hij eerst de inmiddels gearriveerde krakers uit zijn pand moet zien te verwijderen. Het is werkelijk absurd dat de Nederlandse wet erin voorziet dat wildvreemden na een jaar leegstand, buiten de schuld van de eigenaar om, meer recht hebben op een pand dan de eigenaar zelf. Er is geen andere omschrijving voor: dit is inbeslagname van privéeigendom door de staat, en het is moreel volstrekt verwerpelijk.

Kraken heeft tegenwoordig niets meer te maken het oplossen van woningnood: het is een praktijk die wordt bedreven door uitvreters die onder het mom van idealisme een gratis onderdak zoeken, en daarmee wetgeving misbruiken die jaren geleden, met een heel ander doel, is ingesteld. Deze misdadige praktijk moet dan ook zo snel mogelijk gecriminaliseerd worden.

Maar terwijl het criminele gedrag van krakers wordt aangepakt, moet het oorspronkelijk probleem niet uit het oog worden verloren. "Leegstand is misstand", is een bekende krakersslogan, en deze is juist. Maar kraken is tegenwoordig overduidelijk ook misstand, en de overheid doet er geen goed aan om misstand met misstand te bestrijden. Er moet dus een andere methode gebruikt worden om leegstand en speculatie tegen te gaan, een methode die, in tegenstelling tot kraken, geen grove inbreuk maakt op het privéeigendomsrecht van de pandeigenaar. De oplossing lijkt in deze redelijk simpel. Als de vastgoedeigenaar met leegstand de prijs van zijn bezit probeert op te drijven, dan moet de overheid ervoor zorgen dat deze methode hem geen financieel gewin oplevert. Boetes voor leegstand dus. En, let wel, boetes voor moedwillige leegstand, dus niet voor mensen die wachten op een gemeentelijke vergunning. Deze boetes mogen fors zijn, opdat er een behoorlijke drijfveer is voor vastgoedeigenaren om leegstand te voorkomen. En zorg dan dat de opbrengst van deze boetes slechts gebruikt wordt voor de bouw van nieuwe, betaalbare woningen. Deze oplossing is vele malen rechtvaardiger dan de eigenaar van een pand feitelijk te onteigenen. Bovendien wordt het boetegeld ook aangewend om het oorspronkelijke probleem op te lossen. Een boete werkt als stok achter de deur, en het werkt ook bij daadwerkelijke leegstand. Kraken is slechts werkzaam als dreiging voor pandeigenaren, maar als er eenmaal gekraakt is betekent het vooral ellende en hoge kosten voor de eigenaar en voor de gemeente. Een ontruiming is immers ook niet gratis.

Het is dus hoog tijd dat er een einde wordt gemaakt aan deze praktijk die "kraken" heet, maar criminalisering van kraken ligt, ondanks een kamermeerderheid, niet in het verschiet, omdat minister Vogelaar (PvdA) de noodzaak niet ziet. Ook de vier grote steden van Nederland zouden tegen een kraakverbod zijn. Dat bij deze vier steden, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag, de traditioneel pro-kraak PvdA de burgemeester levert of de grootste partij in de gemeenteraad is, geeft te denken.

Een paar weken geleden was VVD tweedekamerlid Arend Jan Boekesteijn in Leiden om een lezing te geven. Hij had het onder andere over mensen die “sommige beginselen van onze rechtsstaat niet onderschrijven”. Boekesteijn sprak over moslimfundamentalisten, maar telkens als ik tegenwoordig iets over krakers hoor, dan denk ik aan die uitdrukking. Mensen die sommige beginselen van onze rechtsstaat niet onderschrijven: een adequate omschrijving van de hedendaagse kraker. Het siert sommige politici in dit land dan ook absoluut niet dat zij zich opstellen als apologeten voor deze criminelen, en voor dit soort crimineel gedrag.

12 november 2007

Echt debat in Amsterdam

Afgelopen zaterdag was ik bij een bijzonder evenement in Amsterdam. Happy Chaos, een vereniging van Amsterdamse studenten en jonge Vrij Nederlandredacteuren, organiseerde in het hotel Arena te Amsterdam een publiek debat met John Mearsheimer en Stephen Walt. Als wetenschappers zijn deze twee mannen waarschijnlijk niets minder dan helden. In een tijd waarin je als westerse wetenschapper bijna geen enkel risico hoeft te lopen hebben zij hun nek uitgestoken. Hun artikel, en later boek, The Israël Lobby and U.S. foreign policy heeft in het Amerikaanse publieke debat een storm doen opwaaien. Het effect van hun publicaties eerder dit jaar, en de macht van de Amerikaanse Israëllobby om debat de kop in te drukken, werd in kaart gebracht door een documentaire van Marije Meerman, gemaakt voor Tegenlicht van de VPRO. Voorafgaand aan de discussie met de auteurs werd de documentaire aan het publiek getoond.

De heisa rondom het boek van de twee Amerikanen zal in Europa, en elders in de wereld waarschijnlijk een stuk minder zijn dan in hun vaderland. In de VS zijn Mearsheimer en Walt al maanden het doelwit van een gerichte lastercampagne. Hun boek zou bedenkelijke academische standaarden hanteren, en de auteurs zouden, uiteraard, hoe kan het ook anders, antisemiet zijn. Dit laatste toverwoord is de afgelopen decennia dusdanig misbruikt door apologeten voor de staat Israël dat het bijna al haar betekenis heeft verloren. Overigens slaat deze term de plank volledig mis, aangezien zij gebruikelijk als “anti-joods” wordt gedefinieerd. Dat is vreemd, want de Arabieren zijn bijvoorbeeld ook Semieten. Zoals wel vaker in het debat rondom Israël stellen verdedigers van deze staat hiermee het Joodse belang boven dat van anderen. Het is de discriminatie en het suprematiegevoel van het moderne Zionisme aardig in één term gevat.

In Europa, waar men ondanks de lokale Ronnie Naftaniëls toch net iets evenwichtiger met dit soort zaken omgaat, kunnen Walt en Mearsheimer hun verhaal makkelijker kwijt, en deden dat zaterdagavond in Amsterdam dan ook met verve. Voor de aanwezigen ontvouwden zij de strekking van hun boek, namelijk dat de Israëllobby in Amerika, door systematisch grote politieke druk uit te oefen op congresleden en presidenten, een normaal debat over het beleid ten opzichte van Israël onderdrukt. Hierdoor promoot het, en slaagt het dikwijls in het doordrukken van, beleid dat nadelig is voor zowel Amerika áls Israël. De lobby denkt de belangen van beide staten te behartigen, maar schaadt die feitelijk. Het beste voorbeeld dat de twee wetenschappers hiervan gaven, en waar ze ook uitgebreid over schrijven, zijn de illegale koloniën die Israël in bezet Palestijns gebied gebouwd heeft, en nog altijd bouwt. De koloniën, en de praktijk van landjepik die ermee gepaard gaat, zijn één van de grootste bronnen van onrust in het conflict tussen de Israël en de Palestijnen. Ook zijn ze Amerika officieel een doorn in het oog. Al zo’n veertig jaar zegt het officiële Amerikaanse standpunt over de dikwijls gewelddadige kolonisten dat zij en hun nederzettingen uit Palestina moeten verdwijnen. Nu is Israël economisch en militair gezien voor een groot deel afhankelijk van de VS. Maar ondanks de grote invloed, en ondanks hun officiële mening, zijn Amerikaanse presidenten er sinds Richard Nixon niet in geslaagd op dit punt iets te bereiken. Sterker nog, het aantal kolonisten is alleen maar gegroeid, en groeit nog steeds. Waarom dit het geval is, daar zijn Walt en Mearsheimer stellig over: het is te wijten aan de lobby, die door haar invloed voorkomt dat er daadwerkelijke druk wordt uitgeoefend op Israël. Het gevolg hiervan is dat de illegale koloniën zich uitbreiden, wat uitzonderlijk slecht is voor de gemoederen onder de Palestijnen en moslims in het algemeen. Deze keren zich daardoor niet alleen tegen Israël, maar ook tegen de VS die worden gezien als een soort godfather die de misdaad zegent. De twee professoren legde tevens uit dat hun standpunt met betrekking tot de lobby in de hele wereld als normaal wordt beschouwd, behalve in Amerika. Zelfs in Israël wordt de macht van de lobby openlijk erkent en wordt zij aangestipt als belangrijke bondgenoot. Zo zei de huidige premier Ehud Olmert ooit eens dat Israël geen betere vriend had dan AIPAC, de grootste Amerikaanse politieke actiegroep die Walt en Mearsheimer aanmerken als lid van de lobby. Kortom, er is niks geheimzinnig aan de Israëllobby. Zij opereert openlijk, en maakt geen geheim van haar macht. En toch doet zich de rare situatie voor dat als men dit gegeven in Amerika tracht te bespreken, alles in het werk wordt gesteld om het debat in de kiem te smoren.

Een van de voornaamste pitbulls die een open discussie over het beleid jegens Israël in de VS te proberen te voorkomen is de advocaat Alan Dershowitz. Deze rabiate extremist was vroeger vooral bekend als lid van het verdedigingsteam van OJ Simpson. Maar tegenwoordig is hij beruchter vanwege zijn advies aan de Amerikaanse regering na elf september om martelen als verhoortechniek toe te passen. Ook van Dershowitz hadden Walt en Mearsheimer last gehad. In hun bezoek aan Nederland was de Amerikaanse advocaat de twee professoren overigens voorgegaan. In mei van dit jaar bezocht Dershowitz de universiteit Leiden als onderdeel van de promotie voor zijn boek The case for peace. De moderator bij het debat, toen, tussen Dershowitz en het publiek, was Leonard Ornstein, jarenlang journalist voor Vrij Nederland en tegenwoordig eindredacteur bij Buitenhof. Ondanks het verzoek van Dershowitz om slechts “vijandige vragen” te stellen (hij houdt blijkbaar van debat) deed Ornstein niet bepaald zijn best om de Amerikaan het vuur aan de schenen te leggen. Op een gegeven moment zei hij zelfs gekscherend dat de discussie misschien zou moeten gaan over of Israël mensen martelt, om daar vervolgens met een zelfverzekerd lachje aan toe te voegen dat dat uiteraard niet waar was. Dit ondanks torenhoge stapels rapporten van Palestijnse, internationale en Israëlische mensenrechtenorganisaties die overtuigend bewijzen dat Israël al jaren systematisch mannen, vrouwen en kinderen martelt. Tot mijn verbazing was Ornstein bij Walt en Mearsheimer wederom de moderator van het debat. Maar ditmaal had hij absoluut geen moeite met het stellen van “vijandige vragen” aan de twee sprekers. Op een gegeven moment liet hij zich dusdanig meeslepen in zijn eigen kritiek op de twee Amerikaanse professoren dat een aanwezig lid van de organisatie Een Ander Joods Geluid hem tot de orde moest roepen. De vraag van dit publiekslid, wanneer de zaal nu eens met de sprekers van gedachten kon wisselen, herinnerde Ornstein gelukkig aan zijn daadwerkelijk rol die avond.

Toen ik John Mearsheimer na afloop van het debat vertelde over het verschil in opstelling van de moderator ten opzichte van het bezoek van Dershowitz antwoordde de professor met een sarcastisch “I’m shocked”. Ik bedacht me dat hij dit soort dingen in Amerika waarschijnlijk geregeld meemaakt. Maar ik voelde me wel een beetje bevoorrecht. Ondanks het feit dat ik niet in Amerika woon, had ik het lobby-effect toch een beetje kunnen ervaren.

22 oktober 2007

De Nobelprijs "goes green"

Verdient Al Gore de Nobelprijs? Die vraag is na vrijdag, 12 oktober, niet meer louter academisch. Op die dag werd de onderscheiding door het Noorse comité dat er over gaat aan de voormalige vice-president van Amerika overhandigd. Gore won de prijs samen met het Intergouvernementeel Panel over Klimaatsverandering van de VN. Op de voorpagina van het NRC schreef de krant dat het Nobelcomité met de uitreiking van de prijs expliciet stelling nam in het debat rondom klimaatsverandering. Veel mensen namen kennis van deze gebeurtenis, en gingen door met hun dagelijks leven. Veel mensen, vooral in Amerika, vroegen zich ook af wat deze prijs zou betekenen voor de politieke toekomst van Gore. Zou hij zich alsnog kandidaat stellen voor het hoogste ambt in zijn vaderland? “Nee”, kwam het antwoord al snel, Gore wilde niet president worden. En uiteraard waren, en zijn er nog steeds, de boe-roepers. Er zijn mensen die het een schande vinden dat de Noren hun prijs op deze manier hebben gepolitiseerd. Sommige elementen in het rechterspectrum van de Amerikaanse media waren er snel bij met de opmerking dat deze prijs niet zo veel waard was, daar hij ook aan de zogenaamde “terrorist” Yasser Arafat was gegeven. En er zijn uiteraard altijd mensen die twijfelen aan de hele klimaatverandering. Want ja, als je het niet zelf kan zien of direct ervaren, dan zal het wel niet bestaan. In de Wall Street Journal verscheen een aantal dagen na het uitreiken van de prijs een opiniestuk over “Global Warming Delusions”, en op de opiniepagina van het NRC verscheen een stuk van Bjørn Lomborg, een Deense politicoloog die mocht komen opdraven omdat hij blijkbaar ooit een milieu-skeptisch boek heeft geschreven. De boodschap van Lomborg was te verwachten: “het zal allemaal niet zo’n vaart lopen, laten we het eerst nog eens bekijken”. Zijn boek over de opwarming van de aarde heet dan ook Cool it. Dat is dan wel weer grappig.

In het debat rondom de prijs voor Gore en het IPKV zijn een aantal vragen aan de orde gekomen die ik, in alle bescheidenheid, hier even wil beantwoorden. Ten eerste rijst de vraag of de prijs voor Gore en het panel terecht is. Want Al Gore doet aan “climate change awareness”, en een vredesprijs voor die activiteiten is misschien niet de meest logische toekenning. Toch slaat het Nobelcomité naar mijn mening met haar keuze de spijker op de kop. Vrede is het tegenovergestelde van oorlog, en oorlog is dikwijls te wijten aan een strijd om natuurlijke bronnen. Gedurende de hele geschiedenis van de mensheid is dit het geval geweest. Oorlog om water, om land, om akkers, om goud, en, niet te vergeten, olie; oorlog vanwege twisten over natuurlijke hulpbronnen is zo oud als de mensheid zelf, en zal waarschijnlijk ook nog wel een tijdje meegaan. En het confronteren van de problemen die klimaatsverandering met zich mee brengt heeft voor een groot deel te maken met het conserveren van juist die natuurlijke hulpbronnen die schaars zijn of schaars dreigen te worden. Neem bijvoorbeeld het tegengaan van de opwarming van de aarde. De meerderheid van de stedelingen op aarde woont dicht bij de kust liggen. Mocht de zeespiegel zomaar 2 meter steigen, geen ondenkbaar scenario, dan krijgen veel van deze mensen last van natte voeten, en zulllen ergens anders heen willen. Ziedaar hoe land opeens een schaarse natuurlijke hulpbron kan worden. Water is ook een goed voorbeeld, waarvan het belang nauwelijks te onderschatten is. Er wordt vaak gezegd dat Israel in de Libanonoorlog van vorig jaar ook vooral uit was op het water uit de Litani-rivier. De Colorado-rivier in Amerika is dusdanig volgebouwd met dammen dat zij in de zomer opdroogt voordat ze de zee heeft bereikt. Hier hebben de Amerikanen weinig last van, maar de Mexicanen, bij wie het laatste stukje rivier loopt, des te meer. Maar olie is uiteraar het meest in het oog springende voorbeeld. De separatistische oorlog in Tsjetsjenië is door de Russen mede zo keihard gevoerd omdat het gebied strategisch ligt ten opzichte van olievoorraden in de Caspische Zee. En in de Irak-oorlog is het de regering Bush mede te doen om het stabiliseren van een olierijke regio, iets wat overigens tot nu toe jammerlijk mislukt is. Er kan geen twijfel over bestaan dat natuurlijk hulpbronnen vaak een heel belangrijke rol spelen bij conflicten. Het onder de aandacht brengen van de klimaatsverandering, conservatie en milieubewustheid, iets wat Al Gore ontegenzeggelijk als geen ander gedaan heeft, draagt op lange termijn wel degelijk bij aan de vrede. In welke mate is moeilijk te zeggen, en als het werkt merken we er niets van, maar het is wel degelijk belangrijk.

Verder is het de vraag of het Nobelcomité de prijs gepolitiseerd heeft, en of het wel aan haar is om een standpunt in te nemen waar het klimaatsverandering betreft. Het feit is dat het comité dit allang gedaan had, door de vredesprijs drie jaar geleden te geven aan Wangari Mathaai, een Keniaanse milieu- en democratieactiviste. Toen al legde het Nobelcomité een duidelijke link tussen milieu en vrede, een standpunt dat zij nu slechts heeft bevestigd. Het is ook niet zo vreemd, want eigenlijk doet het comité niet anders dan standpunten innemen. Alle prijzen zijn in zekere zin een waardeoordeel, sommige wat meer dan anderen. Maar allemaal zijn ze een weerspiegeling van een consensus in het vakgebied. Het gebeurt zelden dat het Nobelcomité een winnaar kiest waarover de consensus binnen zijn onderwerp is dat hij de prijs niet verdiend. En zo is het ook bij Gore en het IPKV. Want ondanks de kleine minderheid die luid roept dat we het allemaal nog niet weten, zijn de standpunten van Gore en het panel inzake klimaatsverandering grotendeels al jaren gemeengoed, en onderschreven door de overgrote meerderheid van wetenschappers die zich er mee bezig houden.

Kortom, met deze beslissing handelt het comité geheel in lijn met de bedoeling van de prijs, en geheel consequent wat haar geschiedenis betreft. Ondanks alle heisa blijkt het dus een uitermate normale gang van zaken.

08 oktober 2007

Oorlog tegen Iran?

De Amerikaanse media staan er al een paar weken vol mee, maar hier in Nederland leeft het nog niet zo erg: het mogelijke conflict dat de regering Bush wil aangaan met Iran. In de Verenigde Staten heeft iedereen het erover: er worden boeken over gepubliceerd, Seymour Hersh schrijft erover, TV-shows besteden er aandacht aan, en iedereen probeert te peilen wat nu de daadwerkelijke invloed van Dick Cheney op Bush is. Want Cheney, zo is algemeen bekend, is, samen met de rest van de neo-cons, gebrand op een pre-emptive strike op het regime van Mahmud Ahmadinejad, ook wel de nieuwe Hitler genoemd. Veel mensen zullen aanvoelen dat dit een ongelofelijk slecht idee is, maar het kan nooit kwaad om uit te leggen waarom dat zo is.

Laten we eerst eens kijken naar de bron van dit idee. Het plan om Irak te bombarderen wordt u aangeboden door vrijwel dezelfde mensen die u het idee voor de Irak-oorlog brachten, en het met leugens en rookgordijnen aan u verkochten. Allereerst de Amerikaanse vice-president, van wie bekend is dat hij een voorstander is van actie tegen Iran. Dit is de man die in 2005 zei dat de opstandelingen in Irak bezig waren met hun "last throes", hun laatste stuiptrekkingen. Dit is de man die de wereld verzekerde dat Saddam Hussein zijn nucleaire programma opnieuw had opgestart. En dit is de man die nu in interviews nog steeds volhoud dat hij toen over al die dingen gelijk had. Met andere woorden, de vice-president van Amerika, Richard Cheney, heeft geen flauw benul waar hij het over heeft. Hij, en mannen zoals hij, staan achter de aanval op Iran. Dit feit alleen al zou ernstig te denken moeten geven over of dit plan wel goed doordacht is.

Laten we dan kijken naar de reden voor de aanval. Die is tweevoudig: ten eerste wordt om het hardst geroepen dat Iran bezig is om een atoombom te fabriceren, en ten tweede wordt Ahmadinejad dus voorgesteld als een tweede Hitler die niets liever wil dan het karwei afmaken dat zijn Duitse voorganger ooit is begonnen. Helaas voor de oorlogszuchtigen steekt de wereld, net als in Irak in 2003, niet zwart-wit in elkaar. Iran verrijkt inderdaad uranium, maar zweert bij hoog en laag dat dit voor civiele, vreedzame doelen is. Het is het vermelden waard dat internationale instanties zoals het Internationaal Atoom Agentschap nog geen enkel bewijs hebben kunnen vinden dat Iran daadwerkelijk bezig is met het maken van een bom. Alles wat het land tot nu toe heeft gedaan is in lijn met hun claim dat ze een kernreactor ontwikkelen voor het opwekken van energie. Ik begrijp dat dit weinig geruststellend is voor de meeste mensen, maar zelfs al zou Iran daadwerkelijk een kernbom willen maken, dan duur dit volgens vrijwel alle experts nog minstens 5 jaar, zo niet 8. Niet bepaald een tijdspanne die het westen onmiddellijk tot actie dwingt. Ten tweede is daar het beeld van Ahmadinejad als tweede Hitler, die op het punt staat om alle joden in Israël te vermoorden en het land van de kaart te vegen. Hier wordt standaard gerefereerd aan een zogenaamde quote van Ahmadinejad: de Iraanse president zou hebben gezegd dat “Israël van de kaart moet worden geveegd.” Dit citaat is dusdanig gemeengoed geworden dat iedereen het voor zoete koek slikt. Maar klopt dit citaat wel? Nee, is het antwoord. Het blijkt een verkeerde vertaling van het oorspronkelijke Farsi van Ahmadinejad. Verkeerd vertaald, uiteraard, om de president als een bloeddorstige maniak af te schilderen. En misschien is hij dat ook wel, maar dat blijkt niet uit deze opmerking, die beter vertaald kan worden met de betekenis dat het huidige regime in Israël uit de geschiedenisboeken zou moeten verdwijnen. Een beetje een vreemde opmerking, maar gezien het racistische karakter van het huidige regime in Israël, dat al decennia lang bezig is een apartheidsstaat te bouwen en wiens ministers openlijk oproepen tot het etnisch zuiveren van alle Palestijnse Israëliërs uit de staat om haar pure Joods karakter te waarborgen, is het sentiment van Ahmadinejad te begrijpen. Bovendien, als Ahmadinejad zo'n rabiate haat voor de joden heeft, hoe kan het dan dat er meer dan 25,000 joden in Iran wonen, en weigeren om naar Israël te emigreren, ondanks herhaaldelijke pogingen om hen daartoe te overtuigen, dikwijls met beloftes van grote geldsommen als beloning? Het is misschien moeilijk te geloven, maar een hele grote groep Iraanse joden heeft een veilig en vredig bestaan in Iran. Ze lijden onder hetzelfde regime als alle Iraniërs, uiteraard, en ze zijn het slachtoffer van discriminatie zoals alle minderheden in bijna elk land dat zijn. Maar als Ahmadinejad de nieuwe Hitler is, wat doen zij daar dan nog? En waarom willen ze niet weg?
Een ander punt waar voor het gemak aan voorbij wordt gegaan door diegene die het de regering van Ahmadinejad als een reden tot oorlog zien, is dat de president helemaal niet de daadwerkelijke machthebber in Teheran is. Dat waren, en zijn nog altijd, de ayatollahs. Zij bepalen uiteindelijk het binnenlandse en buitenlandse beleid, en niet de vrolijke Mahmoud, die een beetje de Iraanse Geert Wilders is. Altijd goed voor een provocerende uitspraak, maar volstrek inhoudsloos en zonder echte macht, een soort clown.

Als laatste nemen we dan nog de gevolgen van een aanval op Iran in overweging. In tegenstelling tot Irak in 2003 is Iran wel goed bewapend, heeft het een groot, goed geoefend leger, en is er geen sprake van een grote massa die onderdrukt wordt door een etnische minderheid, zoals dat bij Saddam het geval was. Met andere woorden, Iran zal effectief terugvechten, en kan dat ook, zelfs als de Amerikanen zich beperken tot luchtaanvallen. Hoe? Door hun Sjiitische vrienden in Irak aan te zetten tot aanvallen tegen de Amerikanen. 90% van alle Amerikaanse doden bij aanvallen in Irak worden nog steeds veroorzaakt door Soennitische rebellen of terroristen. De gewapende Sjiitische groepen, die zich over het algemeen bezich houden met het vermoorden van Soennieten, en niet Amerikanen, zijn bij machte om het aantal dode Amerikaanse soldaten heel snel heel hoog te laten oplopen. Als zij zich tegen de VS keren is er voor de Amerikanen in Irak helemaal geen houden meer aan wat betreft gesneuvelde militairen. Dan zal het dodental oplopen tot Vietnam-achtige proporties. En het Iraanse nucleaire programma waar de aanval tegen gericht was? Dat zal waarschijnlijk ook na een luchtaanval doen wat het nu ook al doet, geografisch verspreid en ondergronds vrolijk verder functioneren. Op de reactie van Iran op de aanval van de VS zal uiteraard weer een antwoord van de VS moeten komen, en zodoende ontstaat een neerwaartse spiraal, waarvan veel experts zeggen dat deze zal uitmonden in het gebruik door Amerika van zogenaamde tactische nucleaire wapens. En dan is het einde echt zoek.

Het moet nu duidelijk zijn, een aanval op Iran is in alle opzichten waanzin. En toch is de kans dat het gebeurt reëel. Daarom moet alles in het werk worden gesteld om de regering Bush duidelijk te maken dat een dergelijke aanval niet getolereerd zal worden door de EU. Helaas hebben in de afgelopen weken de Franse minister Kouchner en onze eigen minster Verhage de verkeerde toon gezet. Na het debakel in Irak zou het passend zijn voor de Nederlandse regering om dit maal heel expliciet niet haar politieke steun te verlenen aan een volgend waanzinnig avontuur van Dick Cheney.

01 oktober 2007

Hollandse hits

Eigenlijk kies ik altijd zelf het onderwerp van mijn column. En ik twijfelde dan ook even toen ik gevraagd werd om voor deze uitzending een stukje te maken over een specifiek onderwerp: Hollandse hits. Op zich sta ik best open voor verzoeknummers, maar hier moest ik even over nadenken. De reden is dat ik niet zoveel heb met Nederlandse muziek, en al helemaal niet met de Nederlandse muziek die vrijwel consequent in de bovenste regionen van de Top 40 staat. Ik denk aan Frans Bauer en dergelijke. Ik heb niets tegen muziek met Nederlandse tekst. Ik vind niet, zoals sommigen, dat Nederlands per definitie een lelijke taal is om populaire muziek in te zingen. Acda en de Munnik, wel zo ongeveer mijn favoriete puur Nederlandse band, heeft hele mooie nummers geschreven. En om de mensen die kwaad spreken van het Nederlands als zangtaal nog even extra te ridiculiseren hebben ze het prachtige liedje “Slaap zacht Elisabeth” gemaakt, een vertaling van het van oorsprong Engelse nummer “Good night Elizabeth” van de Counting Crows. Geweldig, dat nummer. Zelden zo'n goede cover gehoord. Veel Nederlandse artiesten voelen ook de noodzaak om in het Engels te schrijven. Wat mij betreft is dat uit louter commerciële overwegingen. Ik kan me niet voorstellen dat Anouk of Dinant Woesthof zich beter uitdrukken in het Engels. Het zou me verbazen als Dinant überhaupt iets meer dan steenkolen engels spreekt. Ze willen doorbreken op de internationale muziekmarkt, wat nou eenmaal makkelijker gaat in het engels dan in het nederlands. Maar ik vind het wel jammer, want de impliciete boodschap is dat onze eigen taal niet geschikt is om muziek mee te maken, iets wat volstrekt niet het geval is.

Hollandse hits, daarentegen, daar heb ik over het algemeen een hekel aan. En dan heb ik het in het bijzonder over de categorie muziek waarbij de zanger het belangrijkste is. Ik heb het over Frans Bauer, over Gordon, Gerard Joling, Jantje Smit, als allergrootste keutel in een dampende mesthoop: André Hazes. Mijn minachting voor André Hazes is haast grenzeloos. Soms verbaas ik mezelf over de hoeveelheid afgunst die ik koester voor deze "volkszanger". Het feit dat hij een soort staatsbegrafenis kreeg met egards van allerlei types was voor mij een nog grotere teleurstelling in het Nederlandse volk dan het intrede in de Tweede Kamer van het stelletje amateuristische, incompetente, corrupte en louche geestelijk gehandicapten dat de LPF heette. André Hazes heet een echte volkszanger te zijn. De liedjes die hij schreef heten uit het leven gegrepen te zijn. En dat is ook zo, als je het hebt over het leven van een dikke pad die hoerenloper en alcoholist is. Iedereen die André Hazes een volkszanger vindt heeft een ontzettend lage dunk van het Nederlandse volk. Koude rillingen krijg ik van de gekunstelde stem van die man. Plaatsvervangende schaamte is mijn deel als ik de synthesizermuziek moet aanhoren die hem steevast begeleidt. En absolute walging ervaar ik als enkele van zijn altijd zwakzinnige teksten doordringen tot mijn geest. Ik ben niet de enige die er zo over denkt, uiteraard. Hier een citaat uit een conference van Lebbis en Jansen uit 1997:

Een paar weken geleden zag ik ergens op het strand twee immense potvissen liggen. Die ene zat een beetje spastisch met z’n mond te happen, en de ander plofte uit elkaar. Ik dacht, 'hé, het echtpaar Hazes'.

En nog een citaat uit 1999:

Ja, dat zal je gebeuren, zit je lekker in een discotheek wat te drinken, komt er zo’n dikke pad op je af met van die varkensoogjes, zo’n kegel, en die zegt 'deze nacht ben jij van mij'. Dat is toch verbale verkrachting?!

Ja, dat is het inderdaad. Verschrikkelijk die muziek. Die zou ik echt nooit, maar dan ook nooit zelf opzetten. Alhoewel….

Ik ben een groot fan van Ibrahim Ferrer. Ibrahim Ferrer is een Cubaanse son zanger die bekend is geworden als vocalist van de Buena Vista Social Club. Ik vind zijn stem en muziek echt geweldig, heb al zijn cd’s, en luister regelmatig naar hem. Hij zingt traditionele Cubaanse liedjes, en over het simpele Cubaanse leven. Ik vind het geweldig. Maar laatst dacht ik een vreselijke gedachte. Laats schrok ik bij de realisatie dat Ibrahim Ferrer wel eens de Cubaanse André Hazes zou kunnen zijn. De parallelen zijn er immers. Zanger, volkszanger zelfs, zingend over het zogenaamde gewone leven, liefde etc. Nervositeit maakte zich van mij meester. Was ik een gigantische hypocriet omdat ik Ferrer wel leuk vond, en Hazes niet? U raad het antwoord al, een solide “nee”. Ik vind niet dat ik hypocriet ben. Waarom? Omdat Ibrahim Ferrer daadwerkelijk meewerkt aan goede muziek, en niet aan shit, zoals André Hazes. Op de cd’s van Ferrer bestaat zijn band steevast uit gerenommeerde Cubaanse musici, die hun instrument meester zijn. De band van Hazes komt uit een electronisch doosje. Ferrer heeft een zwoele stem, een subtiele zangstijl en weet echte emotie over te brengen. Hazes klinkt als een lallende alcoholicus, en is dat ook. En de teksten dan? Ferrer zing over meisjes die op boomstammen zitten, over bloemen die in tuinen groeien. Bij de eerste lezing lijkt het allemaal net zo gezapig als Hazes. Maar bij nader inzien kan het verschil bijna niet groter zijn. Ferrer zingt traditionele teksten, met emotie, en soms zelfs een vleugje erotiek. Andre Hazes heeft de emotionele diepgang van RTL Shownieuws. Ferrer is een religieus man die, tot hij ontdekt werd voor de Buena Vista Social Club, schoenpoetser was, ondanks zijn geweldige vaardigheid. André Hazes is een hoerenlopende dronkeman die beroemd is geworden ondanks het feit dat hij geen enkel talent heeft. Ferrer kan door het uitslaan van simpele klanken al boeien. Hazes kan zelfs met behulp van een rijmwoordenboek nog geen pakkende zang produceren. Verwijs ik hier het hele Nederlandse zangergenre resoluut naar de prullenbak, en verklaar ik dat Ibrahim Ferrer meer talent heeft in z'n pink dan Frans, Jan, André, Gordon, Gerard en iedereen die op hun lijkt bij elkaar?

Zeker.

Met de dood van Ferrer een aantal jaar geleden verloor de wereld een groot artiest. De begrafenis van Frans Bauer kan wat mij betreft niet snel genoeg geschieden.